Markfocus: e-commerce wetgeving in India  

 

In juli 2018 berichtten internationale media over nieuwe e-commerce wetgeving in India. Na overleg met de Flipkart en Amazon, de twee grootste e-commercebedrijven in het land, is die protectionistische wet voorlopig opgeschort.

e commerce in india

Indiase e-commerce markt groeit explosief

India heeft ongeveer 400 miljoen internetgebruikers en daarmee beschikt het land potentieel over een enorme e-commerce markt. In de afgelopen paar jaar zijn e-commerce transacties aanzienlijk gestegen. De jaarlijkse omzet in India bedraagt momenteel 33 miljard US dollar. Volgens een schatting van het ministerie van Financiën zal de omvang van de digitale economie in 2030 bijna 50% van de gehele economie uitmaken. Niet voor niets zetten  retailreuzen zoals Amazon en Walmart zwaar in op India. Amazon investeerde al vier miljard dollar in India. Walmart nam eerder dit jaar voor 12 miljard dollar een belang van 60% in marktleider Flipkart. Dit vereist volgens de Indiase overheid nieuwe e-commerce wetgeving.

Voorgenomen wetsontwerp e-commerce

Het voorgenomen wetsontwerp bevat een aantal opmerkelijke bepalingen voor de e-commerce sector.Op dit moment mogen buitenlandse partijen 100% eigenaar zijn van onlinewinkels in India die het marktmodel volgen. Het marktmodel is een onlineplatform (zoals bijvoorbeeld Amazon, eBay, Alibaba enzovoort) waar een consument een verkoper ontmoet. Daarentegen is er geen buitenlandse investering toegestaan in e-commerce bedrijven die het voorraadmodel volgen. Onder het voorraadmodel verkopen bedrijven rechtstreeks producten uit hun eigen voorraden.Nu wil de overheid de regels voor deze laatste categorie versoepelen. Op voorwaarde dat e-tailers 100% Made-in-India-producten verkopen, mogen buitenlandse partijen maximaal 49% van de aandelen in bezit hebben van e-commerce bedrijven met een eigen voorraad. Het wetsontwerp geeft zodoende meer macht en zeggenschap aan de Indiase oprichters van het e-commerce bedrijf dan de (buitenlandse partijen) die in het bedrijf investeren.

Een ander opmerkelijk onderdeel van het wetsvoorstel is de regel dat e-commerce bedrijven niet langer om hoge kortingen mogen aanbieden aan elkaar gelieerde bedrijven die als verkopers op de website zijn geregistreerd. In feite wil het wetsontwerp hiermee voorkomen dat platforms direct of indirect de prijzen van goederen en diensten beïnvloeden. Bulkaankopen van merkartikelen door verkopers, die tot prijsverstoringen op een markt leiden, kunnen zo worden verboden. Zou wil de overheid kleine lokale handelaren beschermen tegen (buitenlandse) groothandelaren.

De wetgever wil verder een centrale autoriteit voor consumentenbescherming (CCPA) in werking stellen. Deze autoriteit zou onder andere een platform bieden voor e-commerce-exploitanten om klachten over frauduleuze activiteiten te melden. Het wetsontwerp maakt het ook verplicht voor e-commerce platforms om een betalingsfaciliteit toe te voegen via RuPay van de National Payments Corporation of India (NCPI) – een alternatief voor Visa en Mastercard – voor betalingsgateways.

De wet wil e-commerce bedrijven verder verplichten om consumentengegevens in India op te slaan, zogenaamde datalokalisatie. Bedrijven zouden twee jaar de tijd krijgen om dit te implementeren. Bovendien zou de overheid toegang krijgen tot deze gegevens voor nationale veiligheids- en openbare beleidsdoeleinden die onderworpen zouden zijn aan de Indiase regels met betrekking tot privacy. Deze datalokalisatiewetgeving vormt een obstakel dat het productieproces verlengt, productiekosten omhoog duwt en administratieve lasten verhoogt. 

Kritiek op de wet

Velen vergeleken het wetsontwerp met de License Raj, een term die werd gebruikt om het systeem van licenties, voorschriften en bijbehorende administratieve rompslomp te beschrijven die werden ingesteld in 1947 om de Indiase productie op gang te krijgen. Deze protectionistische maatregelen verlamden echter de Indiase economie en beperkte de reikwijdte van directe buitenlandse investeringen.

Na zware kritiek op het wetsvoorstel werd afgelopen september besloten om het wetsontwerp voorlopig op te schorten en een comité op te richten om met nieuwe reeks aanbevelingen te komen. Aanvankelijk ging de overheid alleen met Indiase e-commerce- en internetbedrijven in gesprek, maar al gauw werden ook buitenlandse bedrijven zoals Walmart en Amazon om input gevraagd. De overheid wil hun aanwezigheid niet negeren, aangezien meer dan 70% van de Indiase e-commerce-industrie, althans in productverkoop, wordt gedomineerd door deze twee Amerikaanse bedrijven. Hiermee maakt de overheid een draai van 180 graden – in eerste instantie beschouwde de wetgever de wet als een poging om de belangen van Indiase e-commerce spelers te beschermen tegen de dominantie van buitenlandse e-commerce platforms. Volgens de overheid is er wel haast geboden, mede met het oog op de lopende onderhandelingen in de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Een robuust lokaal e-commercebeleid zou  alle mogelijke WTO-verplichtingen op het gebied van e-commerce, die bedrijven uit de eerstewereldlanden bevoordelen, helpen uitschakelen.

Hoe nu verder?

De overheid moet balanceren tussen de belangen van lokale kleine handelaren en buitenlandse investeerders. Lokale handelaren voelen zich benadeeld door de zware kortingen die grote e-commerce bedrijven kunnen geven. De Confederation of All India Traders (CAIT) heeft al protest aangetekend tegen het opschorten van het wetsontwerp. Met de verkiezingen op komst zal de regering hun stem serieus nemen. Er wordt verwacht dat er komende maand een nieuwe reeks regels wordt aangekondigd. Daarin komt datalokalisatie waarschijnlijk wel aan bod. Het plan voor een aparte autoriteit voor consumentenbescherming voor de e-commercemarkt lijkt voorlopig van de baan. De bestaande Competition Commission of India zal klachten over e-commerce bedrijven oppakken.

Op de hoogte blijven van de ontwikkelingen? Volg de e-commerce redacties van de Indiase media LiveMintThe Economic Times en First Post.  

 

Offshore windenergie in India barst los

 

Komend jaar gaat de aanleg van het eerste offshore windenergiepark in India van start. Voor 2030 wil India maar liefst 30 GW offshore windenergiecapaciteit installeren. Dat biedt enorme kansen voor Nederlandse toeleveranciers, stelt windenergie-expert Alok Kumar, directeur bij adviesbureau DNV GL in India.

Windenergie in India

Eerste offshore windenergiepark in India

Maar liefst 35 consortia hebben een voorstel ingediend om de eerste windturbines voor de kust van India te mogen aanleggen. In die verschillende consortia zitten twee Nederlandse en twee Belgische ondernemingen. Heerema Marine Contractors uit Leiden heeft samen met de Indiase Ambico Group een voorstel ingediend en de Belgische Deme Group heeft samen met de Indiase turbinebouwer Suzlon ingeschreven op de aanbesteding. Het Rotterdamse Van Oord en Parkwind uit Leuven hebben ieder afzonderlijk ingeschreven op de tender. Ook bedrijven uit Spanje, Denemarken, Duitsland, China, Brazilië en de Verenigde Staten dingen mee. In maart 2019, voor de landelijke verkiezingen in India, weten de bedrijven of zij tot de vier partijen behoren die windenergieparken mogen gaan bouwen in de Indiase wateren.

Grote ambitie in India

Terwijl India momenteel al 34 Gigawatt (GW) opwekt met windturbines op land en die capaciteit in de komende vier jaar wil verdubbelen, barst de ontwikkeling van offshore windenergie pas komend jaar los. De overheid heeft ambitieuze plannen: de windenergiecapaciteit op zee moet voor 2022 zijn gegroeid tot 5 GW en in 2030 tot 30 GW. Twee nieuwe locaties bij Tamil Nadu en Gujarat zijn al aangewezen. “Deze regering zet stevig in op de ontwikkeling van windenergie,” vertelt Alok Kumar, country manager in India voor DNV GL aan de telefoon. “De voorgaande regering deed dat ook al, de verkiezingen van volgende jaar zullen dan ook weinig verschil maken voor de ontwikkeling van windenergieparken op zee.”

  Alok Kumar , directeur bij adviesbureau DNV GL in India .

Alok Kumar, directeur bij adviesbureau DNV GL in India.

Overheidssteun voor windenergie

Aangezien windenergie op zee in India ruim vier keer zo duur is als windenergie op land, zal de centrale overheid in New Delhi de ontwikkeling van wind op zee subsidiëren. Hoe de Indiase overheid dat gaat doen is nog niet precies bekend, daarover zal in de loop van volgend jaar meer duidelijkheid ontstaan. Voor windenergie op land wijzigde de Indiase overheid in 2017 het beleid. Daarvoor tekende de Indiase overheid een contract met een energieleverancier om gedurende een bepaalde looptijd tegen een vast tarief elektriciteit in te kopen (Power Purchase Agreement). Nu moeten partijen zich inschrijven op een tender voor de aanleg van een windenergiepark en wint de partij die stroom aanbiedt tegen de laagste prijs. Deze beleidswijziging zorgde aanvankelijk voor tumult in de markt, stagnatie van nieuwe projecten en het verdwijnen van kleine marktpartijen. “Inmiddels is de gekte voorbij,” zegt Kumar. “De ontwikkeling van nieuwe windenergieparken op land trekt weer aan. De prijs voor elektriciteit die aanvankelijk halveerde is inmiddels gestabiliseerd op 75% van het prijsniveau van 2016.”

Know-how uit Europa

Kumar verwacht dat de windenergieparken in India naar Europees model zullen worden ontworpen. “De productie van windturbines zal volledig in India plaatsvinden, maar deknow howzal uit Europa moeten komen. Er liggen dus veel kansen voor Europese partijen die actief zijn in de keten. Sommige Europese partijen hebben dat al lang in de gaten. Neem bijvoorbeeld Fugro. In de voorbereidende fase hebben zij de Indiase zeebodem in kaart gebracht om te bepalen waar windmolens veilig geplaatst kunnen worden. Maar nog lang niet alle partijen nemen de Indiase markt serieus. Ik verwacht dat daar na maart 2019 veel verandering in zal komen.

 

In India kiest Aegon voor digital

 

Hoe verkoop je levensverzekeringen aan young professionals in India? “Via Facebook, Google en YouTube natuurlijk,” zegt Martijn de Jong, Chief Digital Officer en Chief Marketing Officer bij Aegon Life in Mumbai. “In India experimenteert Aegon met digital first.”

Grootste startup ter wereld
Martijn de Jong komt niet uit de verzekeringswereld, maar uit de mobiele telefonie. Via Vodafone, Tele2 en Deutsche Telekom belandde hij in januari 2015 voor Reliance in Mumbai. Niemand minder dan Mukesh Ambani, de topman van Reliance Industries en de rijkste man van India, haalde De Jong persoonlijk weg bij Deutsche Telekom om Jio op te zetten, het 4G netwerk van Reliance. De Jong: “Ambani trok 25 miljard uit de kast, haalde experts uit de hele wereld binnen en liet duizenden kilometers kabel aanleggen door heel India. Met succes: binnen een half jaar hadden we 110 miljoen klanten. Het was de grootste startup ter wereld.” 

Pilot markt
Na anderhalf jaar zat De Jong’s taak bij Jio erop en klopte Aegon aan. “Het eerste Nederlandse bedrijf waarvoor ik tot nu toe heb gewerkt.” Zijn opdracht in Mumbai is uitdagend. “Het is mijn taak om hier op termijneen 100% online verzekeraar op te bouwen. Nergens ter wereld kiest Aegon volledig voor online, maar in India dus wel. Dit is een pilot markt voor het bedrijf.”

Enorme spaarders
Aegon mikt in India vooral op de verkoop van overlijdensrisicoverzekeringen aan young professionals. “Indiërs zijn enorm traditionele spaarders – ze sparen vaak tot wel 40% van hun inkomen – maar veel innovatieve verzekeringsproducten kennen ze niet. We richten ons op de doelgroep van 18 tot 35 jaar die in de grote steden wonen zoals Delhi, Mumbai en Bengaluru. Die jongeren zijn goed opgeleid, spreken Engels, zijn tech savvy en staan open voor nieuwe producten. Ze gebruiken Ola (de Indiase Uber), Zomato (de Indiase variant op Yelp) en kopen volop online via betaalapp Paytm.”

Mensenmassa
Volgens De Jong bestaat deze doelgroep uit zo’n 15 miljoen mensen. Niet veel als je bedenkt dat India ruim 1,3 miljard inwoners heeft. Biedt de rest van die enorme mensenmassa dan geen kansen voor Aegon? “Helaas is de bevolking op het platteland veel moeilijker te bedienen. Je moet hen bezoeken met betrouwbare doktoren, want fraude komt helaas voor. Daardoor zijn de afsluitkosten veel hoger en is het business model niet sluitend. We verzekeren wel in bepaalde landelijke gebieden, maar dat is meer als onderdeel van ons MVO-budget – niet als onderdeel van onze core business.”

 Martijn de Jong, Chief Digital Officer bij Aegon Life (foto: the financial express)

Martijn de Jong, Chief Digital Officer bij Aegon Life (foto: the financial express)

Joint venture
Aangezien een overlijdensrisicoverzekering een relatief onbekend spaarproduct is in India, investeert Aegon veel in het voorlichten van consumenten. Dat doet het bedrijf via online advertenties op populaire platforms als Facebook, LinkedIn en YouTube. Daarnaast investeert Aegon veel in contentmarketing. De mediakanalen van joint venture partner Times Group, een groot uitgeverijconcern dat onder meer The Times of India en The Economic Times uitgeeft, komen daarbij goed van pas. Ook wordt er volop gebruik gemaakt van bloggers en is er TomorrowMakers, een eigen platform met tips en tricks voor het plannen van je financiële toekomst.

Iconisch gebouw
Ook aan hun naamsbekendheid in India moet Aegon hard werken. De Jong: “We zitten hier pas tien jaar dus wij zijn nog relatief onbekend. Als je op je dertigste een verzekering bij ons afsluit, wil je natuurlijk wel zeker weten dat wij over vijftig jaar nog bestaan. Daarom doen we veel moeite om vertrouwen op te bouwen. Ons partnership met de Times Group, een gerenommeerd bedrijf, helpt daarbij. Verder benadrukken we hoe groot Aegon is, onder meer door het iconische gebouw van Transamerica in San Francisco, onderdeel van de Aegon Group, te gebruiken in onze reclamecampagnes.”

Veel jonge, slimme mensen
De inspanningen leveren resultaat op. “We groeien vrij hard. Ons team bestaat uit 65 man – allemaal Indiërs en ik. We hebben veel jonge, slimme mensen in dienst. Zij zijn hierarchisch management gewend, maar als je hen de vrijheid geeft en in hun waarde laat, kun je geweldige resultaten behalen. Hun loyaliteit is groot. Dat komt ook omdat we hen interessant werk bieden. Zo krijgen ze de kans om met innovatieve dingen bezig te zijn, zoals de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van kunstmatige intelligentie. Zelf heb ik het ook uitstekend naar zijn zin in India. Ik hoop nog een jaartje bij te tekenen te blijven.”